Column

Titel: Het “Bonsai verweer”

Geschreven door: André Beckers

In oktober 2001 ontving de “criminele inlichtingen eenheid” van de politie een melding van een onbekend gebleven tipgever. De tipgever noemde een plaats waarvan hij wist dat zich daar een hennepkwekerij bevond. In december 2001 bezocht de politie het door de tipgever aangeduide pand. Zij zagen dat het een bedrijfshal betrof. De agenten constateerden door de ramen de aanwezigheid van ventilatoren en slangen in de hal. Toen zij oogcontact kregen met een man, die zich in de hal bevond, dook deze volgens waarneming van de politie geschrokken weg. Voor de agenten was de zaak volstrekt duidelijk. Zij forceerden de deur en verschaften zich de toegang tot het pand. Daar hielden zij de aanwezige man aan wegens vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.
Maar wat bleek? In de hal waren assimilatielampen, afzuigers en ventilatoren gemonteerd, maar ontbrak ieder spoor van hennep. Bedenk hierbij dat onder hennep ieder deel van de plant wordt verstaan. Het is een veelvoorkomende misvatting dat alleen hennep, die bruikbaar is als verdovend middel onder de strafwetgeving valt. Ook de aanwezigheid van hennepbladeren en plantenresten – zoals onbruikbare takken en stelen – is strafbaar. Terug naar de hal. Omdat het voor de politie duidelijk was dat de man in ieder geval voornemens was om in de ruimte hennep te gaan telen, ging men over tot inbeslagname van alle kweekattributen. Alle voorwerpen werden door de politie afgevoerd. De aanwezige man werd aangehouden en overgebracht naar het politiebureau. In zijn verhoor vertelde hij de politie dat hij geen hennep wilde gaan telen, maar “Bonsai-bomen”. Hij verklaarde dat hij zich van geen enkel kwaad bewust was. Hij weigerde afstand te doen van de in beslag genomen kweekattributen. Aan de verklaring van de “Bonsai-teler” werd voorbij gegaan. Voor de politie en de Officier van Justitie was het duidelijk dat het hier ging om een strafbare poging tot het telen van hennep. De man diende zich ruim een half jaar na zijn aanhouding wegens poging tot overtreding van de Opiumwet te verantwoorden ter terechtzitting van de Politierechter.
Ter terechtzitting verleende ik hem rechtsbijstand. Na de behandeling van het dossier voerde de Officier van Justitie – zoals gebruikelijk – als eerste het woord. De Officier van Justitie was van mening dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kon worden bewezen en verzocht de Politierechter mijn cliënt te veroordelen tot een werkstraf van 40 uren. De in beslag genomen voorwerpen mochten volgens haar niet worden teruggeven. Toen was het mijn beurt voor pleidooi. Ik probeerde aan de hand van literatuur over “Bonsai-bomen” aannemelijk te maken dat de verklaring van mijn cliënt wel degelijk geloofwaardig was. Ik stelde dat niet bewezen kon worden dat hij hennepplanten in plaats van “Bonsai-bomen” wilde telen. Daarnaast stelde ik dat in de beschreven situatie niet gesproken kon worden van een strafbare poging tot het telen van hennep. Ik verwees hierbij naar de wetsgeschiedenis. In 1999 is de Opiumwet gewijzigd. Toen is het “telen” van hennep specifiek strafbaar gesteld. “Telen” moet volgens de parlementaire geschiedenis worden omschreven als het laten groeien van planten (waaronder stekken). Deze omschrijving is overeenkomstig het normale spraakgebruik. Volledigheidshalve citeer ik uit de kamerstukken: “Met nederwietteelt wordt in het algemeen het gehele illegale productieproces aangeduid vanaf het laten groeien van hennepplanten of –stekken tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct (..)”. Omdat mijn cliënt in de door de politie ontmantelde ruimte nog niet beschikte over hennep(stekken), was er naar mijn mening geen sprake van een begin van uitvoering van het door de Officier van Justitie ten laste gelegde strafbare feit. Ik hield de Politierechter voor dat er geen sprake was van een strafbaar feit. De Politierechter trok zich enige tijd terug om over het pleidooi na te denken. Vervolgens sprak hij zijn vonnis uit. Naar zijn mening was het niet aannemelijk dat mijn cliënt voornemens was geweest “Bonsai bomen” te telen. Uit het (tegengesproken) feit dat de teler was weggedoken na het zien van de politie leidde de Politierechter af dat de man kennelijk iets had te verbergen, terwijl een echte “Bonsai teler” niets te verbergen heeft. De Politierechter was wel van mening dat voor de ten laste gelegde overtreding van de Opiumwet een strafbaar begin van uitvoering was vereist. Omdat dit naar zijn mening niet kon worden bewezen, sprak hij mijn cliënt vrij. De kweekattributen moeten op last van de politierechter aan mijn cliënt worden teruggeven. Bij het verlaten van de zaal merkte de Politierechter glimlachend op dat mijn “Bonsai verweer” misschien nog wel eens zou worden gepubliceerd.

Bezoek ons

Paardestraat 29
6131 HA Sittard
Limburg - Nederland

Contact opnemen

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Tel: +31 (0)46 760 0030
Fax: +31 (0)46 760 0039

Openingstijden

Ma – Vr 09.00 – 17.00 uur
Zaterdag en zondag gesloten
Alle rechten voorbehouden © 2018, Beckers & Bergmans Advocaten
Website beheer en onderhoud LinQxx - Beter online gevonden worden