Column

Titel: Handhaving van de vijfhonderd gram norm

Geschreven door: André Beckers

Een gedoogde coffeeshop werd in het kader van een internationale actie door de politie ter controle op de naleving van de gedoogvoorwaarden bezocht. In de coffeeshop werd de aanwezige handelsvoorraad softdrugs gewogen. Deze zou volgens de politie ongeveer 569 gram bedragen. Aangezien het gedoogbeleid slechts de aanwezigheid van niet meer dan 500 gram toestaat, werd overgegaan tot inbeslagneming van de totale voorraad.
De exploitant van de coffeeshop was tijdens de controle niet in zijn zaak aanwezig en werd telefonisch op de hoogte gesteld. Hij drong aan op hernieuwde weging. Hij kon namelijk niet geloven dat er meer dan 500 gram softdrugs in zijn coffeeshop aanwezig zou zijn. Toen de politie opnieuw de voorraad woog, constateerden zij dat deze 511 gram bedroeg. Ook dat was te veel. Met deze nieuwe bevinding geconfronteerd vroeg de coffeeshophouder de politie of hij zelf bij de weging aanwezig mocht zijn. Dit werd geweigerd. Later maakte het strafdossier duidelijk dat niet alle softdrugs nauwkeurig was gewogen. De politieambtenaar die de weging had uitgevoerd had het gewicht van de aangetroffen joints geschat. Hierbij had hij iedere joint op grond van de door hem gehanteerde “ervaringsregel” op 0,3 gram softdrugs gesteld. Hoeveel joints hij had gewogen maakte het strafdossier niet duidelijk, zodat de weging feitelijk oncontroleerbaar was. De politieambtenaar wordt echter in de regel op zijn woord geloofd en kritische controle op diens handelen wordt vaker als overbodig beschouwd. Ook in dit geval. De burgemeester verzond een schriftelijke waarschuwing aan de coffeeshophouder. Bij herhaalde overtreding zou sluiting van de zaak volgen. De Officier van Justitie trad strafrechtelijk op door de coffeeshophouder te dagvaarden ter terechtzitting van de Politierechter. Hem werd verweten dat hij een niet gedoogd misdrijf ingevolge de Opiumwet had gepleegd door opzettelijk meer dan 30 gram softdrugs aanwezig te hebben gehad. Op een gedoogstatus kon hij geen aanspraak maken, omdat hij de gedoogvoorwaarden zou hebben overtreden. In het strafrechtelijk geding rust de bewijslast op de Officier van Justitie. Deze moet bewijzen dat de verdachte het ten laste gelegde misdrijf heeft gepleegd.
Tijdens de zitting betoogde ik onder andere dat de politie ten onrechte de voorraad niet had gewogen, maar deze had geschat. De coffeeshophouder stelde dat hij in zijn joints geen 0,3 gram, maar tussen de 0,20 – 0,25 gram kwalitatief hoogwaardige softdrugs verwerkte. Ik wees de strafrechter er op dat indien dit juist zou zijn de gedoogvoorwaarden hoogstwaarschijnlijk waren nageleefd. Het instellen van strafvervolging is dan in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het kan toch zeker niet zo zijn dat een veroordeling ter zake van een misdrijf wordt gebaseerd op de schatting van een politieambtenaar? Het was uiterst onzorgvuldig van de politie om zich te bedienen van een schatting, terwijl het gewicht nauwkeurig had kunnen worden vastgesteld. De Politierechter dacht daar anders over. Hij meende dat onmogelijk van de politie kon worden verlangd het in een joint aanwezige gewicht aan softdrugs secuur vast te stellen. Als de coffeeshophouder het zekere voor het onzekere wilde nemen moest hij gewoonweg beduidend minder dan 500 gram in voorraad houden. Hij veroordeelde de coffeeshophouder tot betaling van een geldboete van 1.248 Euro. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld dat werd behandeld door het Gerechtshof. Tijdens de behandeling van dit hoger beroep toonde ik aan de hand van verklaringen van coffeeshophouders en een afschrift uit een ander strafdossier aan dat in de praktijk wel vaker minder dan 0,3 gram softdrugs in joints wordt verwerkt. De door de politie gehanteerde ervaringsregel ging dus kennelijk niet altijd op. Ik herhaalde het in eerste aanleg gevoerde verweer. Ik demonstreerde in de rechtszaal dat het wel degelijk mogelijk is om het gewicht van de in een joint aanwezige softdrugs nauwkeurig vast te stellen. De politie had naar mijn mening uiterst onzorgvuldig gehandeld door dergelijk onderzoek na te laten en blind te varen op een niet algemeen geldende ervaringsregel.
Veertien dagen na behandeling van het hoger beroep kwam het Gerechtshof met een tussenarrest. De politieambtenaar moest in een aanvullend proces-verbaal aangeven op grond waarvan ook in dit geval de ervaringsregel kon worden gehanteerd dat iedere joint (minimaal) 0,3 gram softdrugs had bevat. Na een niet overtuigend klinkend aanvullend proces-verbaal te hebben ontvangen volgde een tweede behandeling in hoger beroep. Ik handhaafde het verweer dat het openbaar ministerie in deze zaak geen strafvervolging had mogen instellen. Het Gerechtshof oordeelde vervolgens dat het aanvullend proces-verbaal inderdaad onvoldoende aanknopingspunten gaf voor de stelling dat de aangetroffen joints daadwerkelijk 0,3 gram softdrugs hadden bevat. Op grond daarvan raakte het Hof er niet van overtuigd dat er tijdens de controle meer dan 500 gram softdrugs in de coffeeshop aanwezig was. Het gevolg hiervan was dat het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn strafvervolging. Ik stuurde een kopie van het arrest naar de burgemeester en vroeg deze de eerder verzonden waarschuwing in te trekken. Aan dit verzoek werd voldaan. Vervolgens werd de Staat der Nederlanden aangesproken op betaling van de kosten, bestaande uit de advocaatkosten en de waarde van de in beslag genomen en vernietigde softdrugs. De coffeeshophouder werd schadeloos gesteld en is door het avontuur geen Eurocent armer, maar wel een hele ervaring rijker geworden.

Bezoek ons

Paardestraat 29
6131 HA Sittard
Limburg - Nederland

Contact opnemen

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Tel: +31 (0)46 760 0030
Fax: +31 (0)46 760 0039

Openingstijden

Ma – Vr 09.00 – 17.00 uur
Zaterdag en zondag gesloten
Alle rechten voorbehouden © 2018, Beckers & Bergmans Advocaten
Website beheer en onderhoud LinQxx - Beter online gevonden worden