Column

Titel: Wat betekent inval en vervolging Checkpoint?

Geschreven door: André Beckers

Strafzaak tegen Checkpoint
Binnen de coffeeshopbranche is naar aanleiding van de strafrechtelijke aanpak van coffeeshop Checkpoint te Terneuzen grote ongerustheid ontstaan. Coffeeshophouders vragen zich op diverse plaatsen in het land hardop af of sprake is van een landelijke kentering in het gedoogbeleid. Hierna zal eerst de strafzaak tegen coffeeshop Checkpoint te Terneuzen kernachtig worden beschreven. Vervolgens zal het strafrechtelijke gedoogbeleid voor coffeeshops worden toegelicht en zal worden ingegaan op de verwijten aan het adres van Checkpoint en de mogelijke gevolgen daarvan.
De strafzaak tegen Checkpoint
In de kern komt de strafrechtelijke beschuldiging er op neer:
1. dat de omvang van coffeeshop Checkpoint te groot was geworden aangezien er dagelijks veel meer dan 500 gram cannabis werd verkocht. Uit de voorraadnorm zou moeten worden afgeleid dat bij het gedoogbeleid kleinschaligheid het uitgangspunt vormde;
2. dat coffeeshop Checkpoint zich medeschuldig maakte aan de export van cannabis door voor gebruik bestemde hoeveelheden cannabis (maximaal 5 gram) te verkopen aan personen waarvan vermoed kon worden dat deze de aangekochte cannabis exporteerden naar het buitenland.
Op basis van deze redenering zijn de exploitant van coffeeshop Checkpoint en de bij hem in loondienst werkzame leidinggevenden en inkopers aangehouden en enige tijd in voorlopige hechtenis genomen. De “inkooporganisatie” van de coffeeshop is aangemerkt als een strafbare organisatie, die het plegen van Opiumwet misdrijven als oogmerk heeft. Het gebouw waarin de coffeeshop is gehuisvest, is met het oog op een verbeurdverklaring in beslag genomen. Op het vermogen dat door de coffeeshophouder na afdracht van belastingen is opgebouwd, is conservatoir beslag gelegd met het oog op het ontnemen daarvan.
Het coffeeshopbeleid
In 1991 is door de vergadering van procureurs-generaal het in de verschillende arrondissementen ontwikkelde “AHOJ-beleid” verheven tot landelijk beleid. Op 24 augustus 1994 verscheen n.a.v. een vergadering van de top van het Openbaar Ministerie een persbericht. Aan dit persbericht ging het rapport van de Commissie Blok vooraf. De Commissie Blok verwees naar het onderzoeksrapport “Drugstoerisme in de grensstreek” en stelde vast dat “softdrugstoeristen 68 % van de omzet softdrugs van de coffeeshops voor hun rekening nemen”. Door de commissie Blok is uitdrukkelijk stilgestaan bij het commerciële karakter van de coffeeshop. Deze commissie toonde zich ondanks zijn bijzonder kritische opstelling geen voorstander van wijziging van de gedoogcriteria.
De Opiumwet bood volgens deze commissie geen enkele ruimte voor het vaststellen van een voorraadcriterium. In dat verband overwoog de commissie o.a.: “het beleid is er niet op gericht de coffeeshophouder aan te geven hoeveel klanten hij maximaal op een bepaald tijdstip mag bedienen”. De conclusie is dat in die jaren er uitdrukkelijk voor is gekozen het aantal vanuit de coffeeshop te verrichten handelstransacties niet vast te leggen in gedoogcriteria.
In de “Paarse Drugnota” werd opnieuw expliciet onderkend, dat de gedoogde coffeeshops qua karakter uiteen lopen “van op massaverkoop gerichte shops in de steden, buurt- of jongerenshops waar vaste bezoekers tafelvoetbal spelen, tot schimmige achteraf gelegenheden”. Het commerciële karakter van de coffeeshop zou volgens deze nota overal de overhand hebben gekregen. De “Paarse drugnota” bevat desondanks geen voorstellen om deze door de regering vastgestelde ontwikkeling te keren. Wel werd in deze nota de “vijfgramsnorm” geïntroduceerd. Hiermee werd kort gezegd beoogd de export van in coffeeshops aangekochte cannabis – met name in de grensstreken – tegen te gaan. Verkopen van cannabis aan buitenlanders van “groter dan enkele grammen” zouden zo goed als zeker voor de export bestemd zijn. Door de transacties te beperken tot een gebruikershoeveelheid van maximaal 5 gram is voorkomen, dat coffeeshophouders zich hoeven af te vragen wat het reisdoel is van hun klanten en of zij voornemens zijn cannabis naar een ander land te vervoeren. De nota maakt duidelijk dat het de buitenlandse bezoekers zijn die het op deze wijze lastiger wordt gemaakt een voor de export bestemde voorraad aan te schaffen. Aan de coffeeshophouder zijn in dit verband geen verdere beperkingen gesteld.
De regering kondigde in de “Paarse drugnota” aan dat de richtlijnen voortaan ook de aanwezigheid van een voorraad van maximaal enkele honderden grammen cannabis in coffeeshop ongestraft mogelijk zouden maken. De nota stelt daarbij geen paal en perk aan de maximaal per dag te verhandelen hoeveelheden cannabis. De voorraadnorm is met andere woorden niet als een dagmaximum geformuleerd.
Op 2 november 2000 is de Aanwijzing Opiumwet (Staatscourant 2000, 250 en 2004, 246) opnieuw vastgesteld. Deze aanwijzing is geldig tot en met 31 december 2008. Op grond van deze Aanwijzing wordt niet strafrechtelijk opgetreden tegen een plaatselijk gedoogde coffeeshop, welke als alcoholvrij horecabedrijf wordt geëxploiteerd, indien daarin de volgende criteria worden nageleefd:
  • A(ffichering) : geen reclame maken voor de coffeeshop;
  • H(arddrugs) : geen harddrugs aanwezig hebben in de coffeeshop en niet verkopen;
  • O(verlast) : geen overlast veroorzaken;
  • J(eugdigen) : geen jeugdigen jonger dan 18 jaar toegang verlenen / geen verkoop van cannabis aan jeugdigen;
  • G(groothandel) : per persoon per dag niet meer dan 5 gram cannabis verkopen en in de coffeeshop niet meer dan 500 gram cannabis in voorraad houden.
Het valt onmiddellijk op dat ook in deze gepubliceerde aanwijzing geen eisen worden gesteld aan de commerciële omvang van de coffeeshop. De voorraadnorm is nog steeds niet als dagmaximum geformuleerd, waardoor tussentijdse bevoorrading niet is uitgesloten.
Ook zegt de Aanwijzing niets over de verkoop van cannabis aan niet-ingezetenen (lees buitenlanders). Door invoering van de zogenoemde “Pilot Donner” in de gemeente Maastricht wordt momenteel de juridische haalbaarheid onderzocht van gemeentelijke regelgeving op basis waarvan de coffeeshophouder het niet is toegestaan aan niet ingezetenen van Nederland toegang tot de coffeeshop te verlenen. In een proefproces heeft de rechtbank de regelgeving onverbindend verklaard, omdat deze naar de mening van de rechtbank strijd oplevert met de Grondwet.
Voorraad cannabis als knelpunt
Prof.mr. C.F. Rüter schreef al bij de totstandkoming van de “500 gram voorraadnorm”, dat een beetje coffeeshop daarmee niet uit de voeten kan. Hij zag destijds in de aangepaste gedoogcriteria (“5 gram transactienorm” in samenhang met de “500 gram voorraadnorm”) het creëren van een handvat om de coffeeshops te elimineren.
De praktijk van de afgelopen 12 jaar wijst echter in een andere richting. Meer en meer is een onderscheid gemaakt tussen de zogenoemde voordeur en de achterdeur van de coffeeshop. Hierbij is aanvaard dat een coffeeshophouder door het ontbreken van beleid niet anders kan dan de Opiumwet overtreden. In een arrest van het Gerechtshof te Den Bosch van 3 maart 2008 (parketnr. 20-000174-07) komt dit expliciet tot uitdrukking. Citaat: “verdachte en zijn medeverdachte hebben ervoor gekozen zich te begeven in een bedrijfstak waarin geld wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten (verkoop softdrugs, zij het dat dit binnen zekere voorwaarden gedoogd wordt) en waarbij de handelswaar noodzakelijkerwijze via strafbare feiten (teelt, bewerking en opslag van hennep) wordt verkregen. De risico’s die het exploiteren van een coffeeshop meebrengt zijn door verdachte en zijn medeverdachte derhalve vrijwillig aangegaan. Zij verdienen er goed aan”.
De strafrechtelijke risico’s waar het Gerechtshof op doelt, zien duidelijk op de niet gedoogde achterdeur. Alleen de werkzaamheden aan de voordeur zijn gedoogd. Slechts in de strafmaat kan de strafrechter gewoonlijk zijn begrip voor de onmogelijke positie waarin de coffeeshophouder door een incompleet gedoogbeleid verkeert tot uitdrukking brengen.
Als een coffeeshophouder wordt betrapt op het aanhouden van een grote handelsvoorraad cannabis wordt gekeken naar de omzet in zijn coffeeshop. Daarbij staat dan de vraag centraal of de voorraad in redelijke verhouding staat tot de omzet in de coffeeshop. Daarbij kan een rol van betekenis spelen, dat het vaak de lokale overheid is geweest, die door forse terugdringing van het aantal coffeeshops bewust heeft gekozen voor de exploitatie van “megashops”.
In de gemeente Venlo is bijvoorbeeld het aantal verkooppunten van cannabis van 80 teruggebracht naar 5. De politie ving in het kader van project Hector coffeeshoptoeristen op en verwees deze door naar de 5 gedoogde coffeeshops. Dit leidde voor de 5 overgebleven coffeeshops tot een explosieve stijging van het aantal klanten. De 5 coffeeshophouders dienen er in het belang van de openbare orde zorg voor te dragen, dat zij de klanten die hun coffeeshop mede dankzij doorverwijzing van de politie weten te vinden ook kunnen bedienen. Een plaatselijke coffeeshophouder, die per toeval werd betrapt op het aanwezig hebben van ongeveer 95 kilo cannabis, werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en tot betaling van een geldboete van € 15.000.
In Terneuzen is het aantal verkooppunten van cannabis teruggebracht van 70 naar 2. Ook hier worden de buitenlandse klanten – zelfs door verkeersborden – naar de gedoogde coffeeshops geloodst. Duidelijk is dat de gemeente Terneuzen in het verleden bewust heeft gekozen voor vestiging van megashops.
In de lokale driehoek wordt in de praktijk vaak afgesproken, dat de bevoorrading van coffeeshops geen opsporingsprioriteit geniet. Zonder dergelijke afspraken zou de exploitatie van een coffeeshop immers feitelijk onmogelijk kunnen worden gemaakt. Dat was ook in Terneuzen tot medio 2007 de situatie. Daaraan is met de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden (aftappen van telefoongesprekken, direct afluisteren en stelselmatige observatie) abrupt en onaangekondigd een einde gekomen. Een opmerkelijke aanpak aangezien het geen geheim was dat coffeeshop Checkpoint een grote omzet had.
In de Volkskrant van 29 mei 2008 stelde burgemeester Loonink van Terneuzen dat het gedoogbeleid voor coffeeshops failliet is. Hij beschrijft de situatie waarin een zeer druk bezochte coffeeshop in de grensregio onmogelijk kan volstaan met het aanhouden van een handelsvoorraad van maximaal 500 gram. Dat is binnen en buiten de coffeeshopbranche een algemeen bekend gegeven.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij de bestuurlijke handhaving van de voorraadnorm de reikwijdte daarvan beperkt tot de aanwezigheid van de maximaal gedoogde handelsvoorraad “in de coffeeshop”. Een coffeeshop kan dus niet door de burgemeester worden gesloten als zich daarbuiten een voor de coffeeshop bestemde voorraad cannabis bevindt.
Juridische status gedoogde kleinhandel in cannabis
Hoe we het ook wenden of keren, ondanks een formeel niet gedoogde achterdeur is op detailhandelsniveau de situatie ontstaan, dat de verkopen van gebruikershoeveelheden cannabis (maximaal 5 gram) vanuit gedoogde coffeeshops de facto is gelegaliseerd.
Het vervolgen van een coffeeshophouder die de gedoogcriteria naleeft, is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Vermogen dat is verdiend met de gedoogde exploitatie van een coffeeshop is niet vatbaar voor ontneming als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Zelfs als de coffeeshophouder over zijn gerealiseerde omzetten niet volledig aan zijn fiscale afdrachtverplichtingen voldoet, blijft het uitgangspunt dat zijn vermogen niet door het plegen van misdrijven is verkregen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat door personeelsleden van coffeeshophouders verrichte achterdeurhandelingen geen strijd opleveren met de openbare orde en de goede zeden, mits deze handelingen onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde voordeur en onmiskenbaar uitsluitend worden verricht ten behoeve van gedoogde leveringen van cannabis.
Politieke ontwikkelingen
Tot tweemaal toe stemde een meerderheid in de Tweede Kamer voor een motie waarin de regering werd opgedragen de achterdeurproblematiek voor coffeeshops beleidsmatig te regelen. Tot een aanpassing van de in de Staatscourant gepubliceerde beleidsregels heeft dit niet geleid.
De huidige regering beweert het gedoogbeleid voor coffeeshops niet zonder debat met de Tweede Kamer te willen afschaffen. Dit blijkt uit uitlatingen van de bewindslieden Klink en Hirsch Ballin op 6 maart 2008 tijdens het debat over drugsbeleid met de Tweede Kamer. Minister Klink zei: “in de debatten die wij hebben gevoerd over de rookvrije horeca heb ik verschillende keren gemeld dat het niet mijn bedoeling is om via ’’de achterdeur’’ (in dit geval een toepasselijke beeldspraak) de coffeeshops af te schaffen. Integendeel. Voor zover wij dat willen, moet dat gebeuren via de koninklijke weg, dus via debatten in de Kamer. Ik heb die ambitie dus niet, in elk geval niet via de Tabakswet”. Zijn collega Minister Hirsch Ballin zei: “wij zijn heel helder in onze doelstellingen. Ik heb verwezen naar de uitgangspunten van ons beleid. In de nieuwe drugsnota gaan wij daar uiteraard verder op in. Het is niet een beleidsdoel om de aanvoer van handelswaar in de coffeeshops te faciliteren”.
Het niet willen faciliteren van de aanvoer van de handelswaren is uiteraard heel iets anders dan het volstrekt onmogelijk maken daarvan. De lijn die nu door het Openbaar Ministerie te Middelburg wordt gekozen, maakt de exploitatie van een coffeeshop zonder enig debat in de Tweede Kamer feitelijk onmogelijk.
In de in 2004 verschenen cannabisbrief is herhaald, dat de invulling van het coffeeshopbeleid een zaak is van het lokaal bestuur, waarbij de lokale driehoek (burgemeester, OM en politie) het beleid concreet invult en prioriteiten stelt bij de dagelijkse handhaving. In de bijlage bij de cannabisbrief lezen we dat uit het oogpunt van bestrijding van overlast de resultaten over het algemeen bevredigend zijn. Citaat: “het kabinet ziet dan ook, gelet op deze resultaten geen aanleiding om extra inzet te plegen op een verdere daling van het aantal gedoogde coffeeshops dan wel om aanvullende criteria op te stellen, maar blijft de ontwikkelingen jaarlijks kritisch volgen”.
De regering toonde zich een voorstander van een “open vizier beleid”, waardoor een ieder van tevoren duidelijk weet waar hij aan toe is. Onder “2.2.1 Intensivering handhaving en vormgeving gemeentelijk cannabisbeleid” is vermeld, dat het handhavingsarrangement inzichtelijk maakt wanneer, door wie, met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties wordt opgetreden als een coffeeshop zich niet houdt aan de vergunningvoorwaarden. Als voordeel van deze aanpak wordt vermeld dat het beleid en de te ondernemen stappen voor alle betrokkenen bij het lokaal drugsbeleid en voor de coffeeshopexploitant op deze wijze vooraf duidelijk worden gemaakt.
Onder “3.2.3 Operationele samenwerking en grensoverschrijdende aanpak drugssmokkel” is aandacht besteed aan mogelijke wijzigingen (aanscherpingen) van het coffeeshopbeleid. Hierbij is het uitgangspunt dat dergelijke wijzigingen in samenwerking met het lokale bestuur en in overleg met de lokale branche tot stand dienen te komen en dat deze vervolgens middels handhavingsarrangementen kenbaar dienen te worden gemaakt aan belanghebbenden. Ik citeer hierna uit deze paragraaf: “Met als uitgangspunt dat het cannabisbeleid een beleid is dat lokaal ingevuld dient te worden, zal het Kabinet in overleg met gemeenten treden over de aanpassing van gemeentelijke regelgeving en beleidsregels. Inzet van het Kabinet is om de massaliteit van de stroom coffeeshoptoeristen een grond te laten zijn om tot intrekking van de vergunning of weigering van de verlening ervan over te gaan. Te denken valt voorts aan beperking van de klandizie en beperking van openingstijden, zoals sluiting in het weekend en/of op koopavonden. Ook zal in overweging worden genomen om een maximaal toegestane handelsvoorraad te verbinden aan een maximaal per dag te verkopen hoeveelheid. Gemeenten en de lokale branche zullen hierover concrete afspraken moeten maken. Oogmerk is een beperkte, regionale klantenkring van de coffeeshops. Gemeenten bepalen daartoe hoeveel shops nodig zijn voor het accommoderen van de vraag in dit gebied”.
De hierboven aangehaalde passage bevestigt dat de huidige gepubliceerde gedoogcriteria geen enkele beperking stellen aan het aantal te verrichten transacties per dag. De 500 gram norm is geen dagmaximum. Ook bevestigt de hier aangehaalde passage dat het huidige beleid de coffeeshophouder niet verplicht om slechts een nader aan te geven hoeveelheid coffeeshoptoeristen te bedienen.
Reacties Openbaar Ministerie
Door ondergetekende is aan het College van Procureurs Generaal naar aanleiding van de strafzaak tegen coffeeshop Checkpoint de vraag voorgelegd of de gedoogcriteria voor coffeeshops zijn aangevuld. De Vereniging Officiële Coffeeshops te Maastricht (VOCM) legde dezelfde vragen voor aan de Hoofd Officier van Justitie te Maastricht.
Vooral het antwoord van de Hoofd Officier van Justitie uit Maastricht maakt volstrekt duidelijk dat:
  • 1. bij de verkoop van maximaal 5 gram per persoon per dag er geen sprake is van medeplegen aan het exporteren van softdrugs en dat;
  • 2. er geen omvangscriteria voor coffeeshops gelden.
De conclusie die hieruit mag worden getrokken, is dat de verkoop van meer dan 500 gram cannabis per dag, maar zonder overschrijding van de transactiegrens per persoon, geen schending van de gedoogcriteria oplevert.
Nu is het wachten op het oordeel van de onafhankelijke strafrechter.

Bezoek ons

Paardestraat 29
6131 HA Sittard
Limburg - Nederland

Contact opnemen

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Tel: +31 (0)46 760 0030
Fax: +31 (0)46 760 0039

Openingstijden

Ma – Vr 09.00 – 17.00 uur
Zaterdag en zondag gesloten
Alle rechten voorbehouden © 2018, Beckers & Bergmans Advocaten
Website beheer en onderhoud LinQxx - Beter online gevonden worden